Hans Plomp & Jean-Paul Vroom zijn naar eigen zeggen de scheppers van de eerste literaire beeldroman ter wereld. Deze heette ‘op Zoek’ en verscheen in 1975 bij uitgeverij De Harmonie. “Een unieke serie foto’s waarbij de normale werkelijkheid verbleekt… Karamba! Tijd en ruimte-akrobatiek!” In dit bizarre werk gaan de helden Janus en Janus, letterkundige varianten van Jansen en Jansens, op zoek naar de draak en de jonkvrouw en worden daarbij gehinderd door de geheimzinnige dr.Gegenstreber. ‘op Zoek’ is een nogal melige fotoroman die wemelt van de verwijzingen naar Kuifje, met tekstjes à la: “Gegenstreber persoonlijk blijft onvindbaar. Zij stuiten slechts op stromannen, strovrouwen, strokinderen, stroopwafels.” Het ‘literaire’ van dit experiment zat ‘m vooral in de montage en de collage, want Plomp en Vroom gebruikten hun teksten om een reeks tamelijk onsamenhangende beelden (“pictures of the mind”) aaneen te rijgen tot een spirituele detective. Post-Dada zou je kunnen zeggen, en heel erg seventies.
Dertig jaar later is de ‘literaire beeldroman’ geëvolueerd tot grafische roman. Het is een genre dat maandelijks meer krantenkolommen vult, want in het tijdperk van de beeldcultuur zijn getekende boeken die ergens over gáán nog altijd nieuws. De opmars van de geschreven roman begon met Don Quichote, de zegetocht van de film met ‘Muiterij op de Potemkin’ en de strip stapte met ‘Maus’ uit de kinderschoenen. Globaal gesproken, want Art Spiegelman had vele voorgangers. Rudolf Kahl bijvoorbeeld, een Duitse tekenaar die in Nederland woonde en begin jaren tachtig het magistrale boek ‘Herinneringen’ publiceerde, waarin hij zeer nauwgezet zijn jeugd in het Derde Rijk uitbeeldde. Oorlogen zijn sindsdien vruchtbaar materiaal voor stripmakers gebleken, met Joe Sacco (tekenende verslaggever in Palestina en Bosnië) en Marjane Satrapi (chroniqueuse van de Islamitische Revolutie) als de internationaal erkende boegbeelden.
De grafische roman kent verschillende subgenres en één daarvan is de literaire ‘verstripping’, waarbij een bestaande tekst wordt herboren als kijkspel: geen vertaling maar verbeelding, geen praatjes maar plaatjes. Natuurlijk is Dick Matena’s bewerking van ‘De Avonden’ hiervan het belangrijkste voorbeeld in ons taalgebied. Na de verfilming van Rudolf van den Berg uit 1989 kwam Matena met zijn eigen ode aan Reves naoorlogse monument, en de verdienste van die visualisering is dat hij het onsmakelijke drama (Frits die aan zijn pink ruikt na hem in zijn navel te hebben geboord) nog exhibitionistischer maakt dan het al was.
Daarvóór maakte hij al stripversies van klassiekers als Dik Trom, Pietje Bell en Kruimeltje, van kinderboeken dus, maar na Reve heeft Matena de grote jongens ontdekt: hij werkt nu aan een verstripping van Jan Wolkers’ roman ‘Kort Amerikaans’.
Adaptaties van werken uit de wereldliteratuur heb je in soorten en maten. In de jaren vijftig lazen leergierige jongens deeltjes uit de reeks Classics Illustrated, waarin op nogal klungelige en uiterst naïeve wijze werd omgesprongen met Homerus, Shakespeare, Brontë en andere evergreens. De naïveteit zat ‘m vooral in het feit dat van de ‘Beroemde boeken in woord en beeld’ alleen het verhaaltje overbleef, terwijl de stijl verdampte tot nagenoeg niks. Precies hetzelfde kun je Stéphane Huet verwijten, de Franse stripmaker die zich op de Verloren Tijd van Proust heeft gestort. Daarom is het ook zo verbazingwekkend dat deze 12-delige serie zoveel positieve reacties heeft verwekt. Zelfs de ‘New York Review of Books’ wijdde er een lang en welwillend artikel aan, en dat terwijl Huets beeldtaal in vergelijking met Prousts taalbeeld van een ongehoorde grofheid is.
Hoe moet het dan wel? Flaubert, zelf een verwoed tegenstander van het illustreren van romans, heeft twee interessante voorbeelden opgeleverd. In 1998 publiceerde Philippe Druillet een verstripping van ‘Salammbô’ die even monsterlijk als origineel is. Druillet heeft Carthago namelijk veranderd in een superkitscherig science-fiction decor dat zo over-the-top is, zo hysterisch technicolor, dat sommige mensen het wel weer mooi zullen vinden. Daartegenover staat het intelligente en ingetogen ‘Gemma Bovery’ van de Engelse Posy Simmonds, waarover Julian Barnes zei: “Flaubert gezien door de ogen van Claire Brétécher.” In de versie van Simmonds (die deze maand in Nederlandse vertaling verschijnt) is de apotheker een bakker geworden en is Emma/Gemma een typisch middle class trutje dat zich laat verleiden door een vlotte vent die een lamswollen trui om zijn hals heeft geknoopt. Kortom: Simmonds heeft zich het oorspronkelijke boek eigen gemaakt en er vervolgens iets nieuws uit laten ontstaan. En daar gaat het om bij een omzetting in een andere discipline: het muteren van de bestaande stof met behulp van de stijlmiddelen die eigen zijn aan het nieuwe medium.
Zo heeft tekenaar David Mazzucchelli een zeer geslaagde versie gemaakt van Paul Austers ‘City of glass’, waarbij hij het stripidioom benut om patronen en metamorfoses in beeld te brengen die een romancier alleen in het abstracte kan omschrijven. Hoofdpersoon Quinn verliest in Austers boek gaandeweg zijn greep op de werkelijkheid en Mazzucchelli slaagt erin om de naderende psychose in beeld te brengen zonder te vervallen in letterlijkheid en stereotypering. De verstripping is blijkbaar succesvol, want Faber & Faber brengt het boek tien jaar na de eerste editie opnieuw uit, met een herzien voorwoord van Art Spiegelman: “By poking at the heart of comics’ structure, Mazzucchelli created a strange Doppelgänger of the original book.”
Het wachten is nu op een verstripping van ‘Max Havelaar - De koffijveilingen der Nederlandse Handel-Maatschappij’. Moet kunnen.
Voor meer informatie over ‘Gemma Bovery’: www.deharmonie.nl
| Verwijzingen |
|
Als appendix bij het Abecedarium van de Grafische Roman heeft Joost Pollmann een lijst opgesteld van aanbevolen titels. U bent nieuwsgierig geworden naar het fenomeen gra ...
|
|
|