Een opwindende mix van woorden, beelden, animaties, films en geluiden: werkt dat?
Dr. Huib Tabbers promoveerde in 2002 aan de Open Universiteit Nederland in Heerlen op zijn proefschrift "The modality of text in multimedia instructions: Refining the design guidelines" . Op de website van Stichting Surf (de samenwerkingsorganisatie van het hoger onderwijs en onderzoek op het gebied van ICT) schreef Tabbers een even nuchter als interessant artikel over het gebruik van multimedia in lesmateriaal. Volg zijn drie richtlijnen!
Huib Tabbers schrijft: “Multimedia is al zo oud als het schrift. Of beter gezegd: als het stripverhaal. Leren van de combinatie woord en beeld doen we dan ook al vele eeuwen lang, alleen doen we er pas de laatste twintig jaar nogal opgewonden over. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de opkomst van de computer in het onderwijs met de bijbehorende visioenen van revoluties in het leren. Multimedia, het aanbieden van informatie in verschillende presentatievormen, is een van de toverwoorden in deze profetie. Wat zou het wel niet voor enorme voordelen hebben wanneer lerenden niet alleen maar saaie tekst uit een boek zouden lezen, maar overspoeld zouden worden door een opwindende mix van woorden, beelden, plaatjes, animaties, films, geluiden, en wat de grijze wonderdozen al niet meer kunnen voorbrengen?
Helaas hebben nog maar weinigen geprobeerd deze vraag ook echt te beantwoorden. Of gekeken naar de nadelen van het bombarderen van de lerende met multimedia. Wat betekent het inzetten van meerdere presentatievormen bijvoorbeeld voor de efficiëntie van het leren? Wie kent niet de frustratie van de onoverzichtelijke website waar wel veel informatie te vinden is maar onduidelijk is hoe je ernaar moet zoeken. Ook de moeite die het kost om informatie uit verschillende bronnen te integreren tot een coherent geheel is een punt waar veel ontwerpers van multimediaal lesmateriaal vrolijk aan voorbij lijken te gaan.
Recentelijk zijn er twee theorieën ontwikkeld die zich toch enigszins lijken te bekommeren om de zin en onzin van het leren van woord en beeld. Dit zijn de cognitieve belastingtheorie van John Sweller (1999) en de generatieve theorie over het leren met multimedia van Richard Mayer (2001). Beide onderzoekers zijn al een tijdje op zoek naar richtlijnen voor het ontwerp van multimediaal lesmateriaal die het leerproces zo optimaal mogelijk laten verlopen. Daarbij nemen ze datgene wat er in het hoofd van de lerende gebeurd als uitgangspunt. Zowel Mayer als Sweller hebben op basis hiervan dan ook een aantal richtlijnen voor het ontwerp van multimediaal lesmateriaal geproduceerd die ze vervolgens uitgebreid getoetst hebben aan de praktijk. Deze zijn als volgt samen te vatten:
1 - Laat alle overbodige informatie weg;
2 - Voorkom zoeken op het scherm
3 - Gebruik bij animaties gesproken tekst
Alledrie de richtlijnen zijn gebaseerd op het feit dat het menselijk geheugen nu eenmaal een beperkte capaciteit voor het verwerken van informatie heeft en dat het leren met multimedia een groot beslag legt op deze beperkte ruimte. Immers, het integreren van woord en beeld is een proces is dat veel mentale inspanning vereist. Dit kan ten koste gaan van de mentale ruimte die nodig is voor het eigenlijke leerproces, vooral als de leerstof nieuw is en de lerende nog niet over de benodigde voorkennis beschikt.
Volgens de eerste richtlijn, het weglaten van overbodige informatie, is het dan ook verstandiger om de beperkte mentale ruimte van de lerende te gebruiken voor informatie die bijdraagt aan het leren zelf, en niet aan informatie die voor dit leerproces overbodig is. In diverse onderzoeken is aangetoond dat het weglaten van verfraaiende illustraties en onnodige teksten uit multimediaal lesmateriaal tot beter leren leidde. Maar ook het verwijderen van achtergrondmuziek en 'leuke' geluidjes gaf betere leerresultaten te zien.
De tweede richtlijn, het voorkomen van zoeken op het scherm, heeft er mee te maken dat de tijd en de inspanning die het kost om uit te vinden welke tekst bij welk deel van een plaatje of animatie hoort, een negatief effect heeft op het leren. Immers, hoe langer het zoeken duurt, hoe hoger de mentale belasting en dus hoe minder mentale ruimte voor het eigenlijke leerproces. Door een tekst in een plaatje in plaats van eronder of ernaast te plaatsen kan dit zoekproces verkort worden. Maar ook technieken als kleurgebruik of nummering kunnen helpen voorkomen dat het lang duurt voordat de lerende de (gesproken) tekst en het plaatje aan elkaar weet te koppelen. Zowel Sweller als Mayer hebben in diverse experimenten laten zien dat dit soort kleine ingrepen positieve effecten op het leren met multimedia hebben.
De derde richtlijn tot slot, over het gebruik van gesproken tekst in multimediaal lesmateriaal, staat ook centraal in mijn eigen promotieonderzoek Tabbers, 2002. Eerder onderzoek had aangetoond dat de combinatie van gesproken woord en beeld tot een lagere mentale belasting van de lerende leidde dan de combinatie tekst op het scherm en beeld. Alhoewel de hedendaagse technologie het probleemloos gebruik van audio niet in de weg staat (drukke computerruimtes zonder koptelefoons overigens wel), zit er wel een klein addertje onder het gras. Zo blijkt uit mijn eigen onderzoek dat het gebruik van gesproken tekst alleen een meerwaarde heeft als het gepresenteerde lesmateriaal voorbijkomt met een tempo dat niet door de lerende zelf bepaald wordt. Mooie animaties of series van plaatjes waarin de werking van een machine uitgelegd wordt of iets dergelijks dus. Zodra de lerende zelf het tempo kan bepalen gaat de voorkeur uit naar tekst op het scherm, wat ook betere leerresultaten oplevert. Oftewel, gebruik gesproken tekst alleen bij een animatie.
Deze drie richtlijnen lijken in eerste instantie misschien wat triviaal te zijn. Dat zijn ze ook. Maar deze richtlijnen zijn wel onderbouwd met theorieën over hoe mensen informatie verwerken, en uitgebreid getoetst in experimenteel onderzoek. Des te erger dat ze in veel van de voor het onderwijs ontwikkelde multimedia met voeten getreden worden. Terwijl toch is aangetoond dat het niet toepassen van deze richtlijnen tot slechtere leerresultaten kan leiden. Of tot inefficiënter leergedrag. En de lerende heeft toch wel wat beters te doen dan achter gebrekkig ontworpen multimedia zijn tijd te verdoen. Die leest toch echt liever een stripboek.”
Bron: http://www.edusite.nl/edusite/publicaties/11366 (publicatie 15-11-2002)
Zie voor wetenschappelijke publicities van Huib Tabbers: http://www.ou.nl/otecresearch/people/huib_tabbers.htm