Wat voor soort strip heb je in je handen?
- Avonturenstrip realistisch (bijv. Largo Winch)
- Avonturenstrip karikaturaal (bijv. Suske & Wiske)
- Humorstrip gewoon leuk (bijv. Dirkjan)
Humorstrip met maatschappijkritiek (bijv. Haagse Harry)
- Kinderstrip (bijv. Octoknopie)
- Krantenstrip (bijv. Hagar)
- Erotische strip (bijv. Rooie Oortjes)
- Literaire strip (bijv. De Avonden)
- Autobiografische strip (bijv. Barbara Stok)
- Historische strip (bijv. Rampokan)
- Manga (bijv. Dragonball)
- Comic (bijv. Superman)
En dan heb je nog: religieuze strips, politieke strips, reclamestrips, paardenstrips, etc. Maak zelf een aanvullend lijstje.
Tenslotte: tegenwoordig zijn op internet duizenden strips te vinden die nooit (of zelden) op papier gepubliceerd worden. Kijk eens op: www.nowheregirl.com.
Hoe moet je een strip lezen?
Van voor naar achter en van links naar rechts. Terugbladeren mag altijd (dat lukt je in een film niet). Per bladzijde kan de leesrichting verschillen. Op een doorsnee-pagina in Kuifje lees je gewoon drie keer van links naar rechts, maar er zijn ook strips die een meer complexe route volgen. Sommige tekenaars (Chris Ware bijvoorbeeld) voegen zelfs pijltjes toe om verdwalen te voorkomen. Maak kopieën van verschillende soorten strips en geef met een rode stift de leesrichting aan.
Tussen de plaatjes zit wit… en tijd. Jazeker, er verstrijkt tijd in de gootjes tussen de tekeningen. Kijk maar naar een willekeurige strippagina. Tussentijds gebeurt er trouwens nog veel meer. Van plaatje tot plaatje verspringt de handeling; die verspringing kan heel klein zijn (iemand heeft opeens zijn ogen gesloten), maar ook heel groot (iemand is op de maan beland). De grap is dat de lezer zelf opvult wat de tekenaar heeft weggelaten!
Strips herken je aan de balloons, waarin de meeste tekst is opgeborgen. Maar de tekenaar wil nog veel meer informatie kwijt en verstopt die in de tekeningen. In de eerste plaats is er natuurlijk de lichaamstaal en de gezichtsuitdrukking van de personages: die vertellen je hoe zij zich voelen. Dan zijn er de typische stripcodes: zweetdruppels staan voor stress, ijspegels aan een balloon duiden op haat, woorden in een wolkje zijn gedachten, strepen achter een rijdende auto zijn speedlines. Wat voor grafische (woordloze) boodschappen kun je nog meer ontdekken?
Hoe is de strip getekend?
Elke grote tekenaar heeft zijn eigen tekenstijl, maar er zijn een paar stromingen te onderscheiden.
De klare lijn
Hergé is ermee begonnen en heeft talloze navolgers gehad. De klare lijn is een ‘schone’ en strakke lijn, waarbij dus niet wordt gearceerd. Arceren is schaduwen aangeven met fijne krasjes. Navolgers van Hergé zijn Eric Heuvel (‘De Ontdekking’), Peter van Dongen (‘Rampokan’) en Joost Swarte.
De zwiepstijl
Guust Flater is getekend door André Franquin in een mooie zwiepstijl, die eruit ziet alsof de tekenaar bij elke cirkel lekker los uit de pols een haal met zijn penseel heeft gemaakt. De zwiepstijl is levendiger dan de klare lijn, wat sneller en ook wat rommeliger. Navolgers zijn bijvoorbeeld Gerard Leever (‘Felix Flux Museum’) en Martin Lodewijk (‘Agent 327’).
Het academisch realisme
Dat is een dure term voor het realistisch tekenen zoals ze dat vroeger op de academie leerden. Hal Foster heeft het met zijn ‘Prince Valiant’ in de strip ingevoerd en in Nederland werd hij nagevolgd door Henk Sprenger (‘Kick Wilstra’), Hans Kresse (‘Eric de Noorman’) en Pieter Kuhn (‘Kapitein Rob’). Vandaag de dag tekenen Vance en Rosinski in zo’n academische stijl.
Grote neuzen-stijl
Stripfiguren hebben vaak een dikke neus. Denk maar aan de Smurfen, aan Olivier Blunder en aan de Daltons uit Lucky Luke. Een ander kenmerk van dit soort strips is het dikke handje met de vier vingers, de personages hebben vaak een gedrongen gestalte (dikke buik, korte benen) of juist een spaghetti-achtige (overdreven dun). Heel veel humorstrips vallen onder de grote-neuzen-stijl.
Ecole Pigalle
In de jaren negentig kwam de autobiografische strip op, waarin de tekenaar vertelt over zijn of haar eigen leven. Opvallend vaak kiezen tekenaars uit vooral Frankrijk en Canada voor een tekenstijl die we de ‘école pigalle’ zijn gaan noemen. Deze stijl is vooral heel elegant (sierlijk): de lijnen worden afwisselend dikker en dunner, gezichtjes worden met fijne trekken weergegeven. Belangrijkste vertegenwoordigers: Chaland, Seth en, voor Nederland, Erik de Graaf (‘Verbleekte herinneringen’, ‘Gekleurd geheugen’, ‘Gevonden verleden’).
Zoveel tekenstijlen al er talenten zijn
Daarnaast bestaan er net zoveel tekenstijlen als er talenten zijn. Crumb, Pratt, Kolton, Tardi, Vandersteen en Baudoin hebben elk een eigen wereld geschapen, die van grote afstand herkenbaar is.
Jaap Vegter, Guido van Driel, Hanco Kolk zijn drie Nederlandse tekenaars die zo’n eigen stijl hebben dat ze nauwelijks te classificeren zijn. Gelukkig maar.
Oefenen
Om je te oefenen in het herkennen van een stijl, geven we zes namen van tekenaars op. Zoek op wat voor boeken ze gemaakt hebben en benoem hun stijl. Je mag natuurlijk ook je eigen termen bedenken!
- Hermann (‘Jeremiah’):
- Gerrit de Jager (‘Familie Doorzon’):
- Henk Kuijpers (‘Franka’):
- Uderzo (‘Asterix en Obelix’):
- Dupuy & Berberian (‘Meneer Johan’):
- Hein de Kort (‘Pardon lul’):
Tekst: © Joost Pollmann
Illustratie: Erik de Graaf