Een indruk van echtheid - Stukken over strips

Op 2 november verschijnt bij Uitgeverij Bert Bakker de essaybundel 'Een indruk van echtheid - Stukken over strips' van Joost Pollmann. Hierin zijn tien langere teksten gebundeld die eerder verschenen in o.a. De Gids, Tirade, Volkskrant, International Journal of Comic Art en, jawel, het Straatjournaal.

Stukken over strips: die zijn al heel lang niet verschenen. In de jaren zeventig waren strips als massamedium populair en als zodanig werden ze uitgebreid behandeld door Gerrit Komrij, Rudy Kousbroek, Rudi Fuchs, Ron Kaal en natuurlijk Umberto Eco. Vanaf het eind van de jaren tachtig begon de strip zich echter meer en meer te ontwikkelen als kunstvorm en/of literair genre. Zie de opkomst van de graphic novel. In 'Een indruk van echtheid' gaat Joost Pollmann dieper in op de artistieke mogelijkheden van het beeldverhaal en zoekt hij raakvlakken met andere kunstvormen. Naast de meer analytische stukken bevat de bundel ook wat luchtiger artikelen over de zwerver in de strip, over de schilderkunst van Carl Barks en over het verschil tussen Faust en Guust.

Het boek gaat de volgende stukken bevatten:

  • Voorwoord: een mineraal in een sinaasappelschil
  • Kraut: het boek van mijn broer over mijn vader
  • Geen muilperen, wel klessebesjes: over het werk van Guido van Driel
  • Klanken tonen: hoe je geluid grafisch kunt weergeven
  • Papieren drama's: strips op de planken, toneel in kaders
  • Een indruk van echtheid: drie gedaanten van het moderne beeldverhaal
  • Het Swiebertje-effect: over de dakloze in de strip
  • Terug naar Ouagadougou: over Afrika en zwarten
  • Donald was een Duitser: over Carl Barks
  • Grootheidswaan van een kleinkunst: over stripkritiek
  • Abecedarium van de grafische roman: met leeslijst

Meer gegevens over het boek:

Stijlvoorproefje (over het fenomeen stripfamilies):

Iedereen is vondeling

In 1889 begon in het tijdschrift Le Petit Français Illustré een stripfeuilleton van tekenaar Christophe (Georges Colomb) over La Famille Fenouillard. De centrale figuur was Mr. Fenouillard, een vriendelijke patriarch die wordt omringd door een echtgenote en twee dochters. Brave burgers die al van streek zijn als ze een tochtje met de trein gaan maken.

Een jaar eerder, om precies te zijn op 12 december 1897, ging de New York Journal van start met The Katzenjammer Kids, getekend door Rudolph Dirks. De strip had een vet Duits accent en was ontleend aan de klassieker Max und Moritz van Wilhelm Busch. In de Amerikaanse variant luiden de namen Hans en Fritz en is het kattekwaad ontaard in vandalistische treiterij. De mollige etterbakjes worden ‘opgevoed’ door Die Mama, Der Captain en Der Inspector, en als de ventjes zich weer eens misdragen hebben roept de laatste uit: “Mit dose kids, society iss nix!”

Deze twee stripfamilies vertegenwoordigen elk een eigen klasse, een eigen soort. Fenouillard c.s. kunnen we scharen onder de homogene stripfamilies, dat wil zeggen dat de belangrijkste personages in hetzelfde trouwboekje staan ingeschreven. Op die soort komen we nog terug. Dan is er de heterogene stripfamilie, die zich kenmerkt door zijn schimmige genealogie. Al is er vaak sprake van ooms, tantes, neven en nichten, met reële bloedverwantschap heeft ‘t niet veel te maken: in dergelijke stripfamilies is zo’n beetje iederéén vondeling. En al wonen de stripfiguren samen in één huis, dat betekent nog niet dat er ook daadwerkelijk wordt gecohabiteerd: toen Bommel trouwde met Doddeltje hield de strip op te bestaan.

Meestal bestaat de stripfamilie uit een samenraapsel van flat characters, die met een mechanische voorspelbaarheid hun (humoristische) rollen vertolken. De stripfiguren hokken samen om de aanloop naar de grap te verkorten en de huiskamer is eenheid van plaats, tijd en handeling inéén. Lang voordat onze beeldbuizen werden geteisterd door de sitcom (na ‘All in the family’ kon het alleen maar minder worden) was er de familiestrip.

Bij Hergé ging het nog om een vrijgezellenkliek, met Kuifje, Haddock, Nestor en Zonnebloem als ‘gezinsleden’ verenigd in kasteel Molensloot. Maar bij Vandersteen verschenen ook vrouwen ten tonele en werden de verhoudingen troebeler. Zo zijn Suske & Wiske - in tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen - niet eens broer en zus: ze hebben elkaar leren kennen op de bodem van de zee in het boek Op het eiland Amoras uit 1945. Wiske had wel een broer, maar die heette Rikki en verdween toen Suske erbij kwam. Tante Sidonia treedt min of meer op als voogdes, hoewel ze niet kan verhelpen dat de jongelui zich samen met Lambik en Jerommeke in halsbrekende avonturen storten. Alleen de burgerlijke stand zou orde op zaken kunnen stellen: Sidonia wacht al eeuwen op een aanzoek van Lambik, maar die offreert slechts toespelingen op haar maten (schoenmaat, neusmaat).

Ook bij Disney is het een rommeltje. Kwik, Kwek en Kwak zijn neefjes van oom Donald en van oom Dagobert, maar ze hebben geen moeder en van Katrien Duck valt weinig opvoedkundig heil te verwachten. Ze halen hun levenslessen dus maar uit het padvindershandboek. In de essaybundel Hiëroglyfen heeft Ron Kaal al eens uitgedokterd hoe de familiebanden in elkaar zijn gevlochten. Zijn belangrijkste conclusie: “Dagobert is dan de oudere, succesvolle broer en Donald de schlemiel die afhankelijk is van zijn gunsten en aalmoezen. Oma Duck is de oma van Kwik, Kwek en Kwak en dus de moeder van Donald en Dagobert.” (Kaal vergist zich volgens mij, want Dagobert lijkt me een oudoom van de neefjes en een oom van Donald.) Is het belangrijk om dit soort dingen te weten? Wel als je de wortels van de Duckstad-mythologie wilt blootleggen. Vergelijk het met ‘het feit’ dat Zeus is verwekt door Kronos die de zoon is van Oeranos die een kind is van Gaia die ontstaan is uit de Chaos: een trouwe lezer wil orde.

De klassieke familiestrip dateert van voor het Vaticaans Concilie, toen echtscheiding nog taboe was. Het ‘nucleaire’ gezin vormde de hoeksteen van de samenleving (en het ‘samengestelde’ gezin was nog ver weg). Des te scandaleuzer dat grote en kleine mensen in zoveel stripverhalen onder één dak woonden zonder dat ze door juridische, genetische of priesterlijke zegeningen met elkaar waren verbonden. Maar de stripconventie voorzag in een oplossing. Neem Pa Pinkelman, die was getrouwd met de mollige tante Pollewop. Waarom ‘tante’ en niet ‘ma’? Omdat het stel in deze strip, door Godfried Bomans geschreven en door Carol Voges getekend, avonturen beleeft in gezelschap van het ‘nikkertje’ Flop en rijkeluiszoon Kareltje Flens. Nette jongens horen thuis bij pappie en mammie en niet bij excentrieke wereldreizigers. Maar stripfiguren mèt ouders mogen niks en maken daarom nooit wat mee. Dus Tante is er om de gezinsverhouding te fatsoeneren en de strip mogelijk te maken.

Sjors & Sjimmie behoren tot het ras der adoptie-kinderen en hebben een lange evolutie ondergaan. In 1905 was er Buster Brown, een blond pagekopje in een matrozenpakje. Deze strip van Richard F. Outcault krijgt in 1922 een logische opvolger in Perry Winkle and his Rinkeydinks, getekend door Martin Branner, waarin Sjors met nog Perry heette en het broertje van Winnie was. In 1938 vernederlandste Frans Piët de strip geleidelijk tot ‘Sjors van de Rebellenclub (en zijn trawanten)’. Piët werkte bij de Spaarnestad en was in dienst genomen om stippellijnen op breipatronen te tekenen, maar hij bleek méér te kunnen. Zijn stijl is makkelijk te herkennen, onder andere aan de neiging van zijn personages om te pas en te onpas met de handen te wapperen.

Sjors kreeg in 1950 een zwart vriendje, Sjimmie geheten, en de jongens hadden ook een soort van familie, bestaande uit Sally en de kolonel. Sally is een mooie jonge vrouw en de kolonel is haar vader, een aristocratische heer. Dat wil zeggen: in de oudste afleveringen zegt ze nog wel eens papa, daarna wordt het dubieus. Zijn ze nog iets van elkaar, doen ze het inmiddels met elkaar? In het geniep misschien. Van bloedbanden tussen de ‘rebellen’ en de twee volwassenen is geen sprake. Sjors keert in 1964 zelfs terug naar zijn ouders in Bovelande en zijn rol wordt overgenomen door buurjongen George, spreek uit... Sjors! Een wonderbaarlijk geval van zielsverhuizing. Sjimmie op zijn beurt is uit het circus geplukt en zijn moeder is in dat circus achtergebleven, maar niemand die erom rouwt.

Na Piët werd de strip getekend door achtereenvolgens Carol Voges, Jan Kruis, Jan Steeman en Robert van der Kroft, en tegenwoordig verschijnt hij ‘onder supervisie van’ de Wiroja’s in het tijdschrift Striparazzi.(1) Met elke tekenaar werd de strip moderner en alledaagser: Sjors & Sjimmie zijn doorsnee tieners geworden, Sally is bepaald geen vamp meer en de kolonel geen eerbiedwaardige grijsaard. Hoe smaller de generatiekloof hoe maller de gezinssituatie: terwijl de jongens opgroeien, keert de heer des huizes terug naar het infantiele stadium.

Als Sjimmie er niet al tijden in zat, zou je hem de excuusneger kunnen noemen. De moderne familiestrip is namelijk politiek correct en ‘dus’ woont er een zwarte in huis. Of zelfs twee! Zie De Familie Doorzon. Het eerste album verscheen in 1981, geschreven en getekend door Gerrit de Jager en (toen nog) Wim Stevenhagen. Een succesformule, want achttien jaar later is ter gelegenheid van de Boekenweek het Familie Album van de Doorzonnetjes verschenen. Aan de hand van kiekjes die door Doortje zijn voorzien van commentaar, bladeren we door het Doorzon-leven, waarin hoofdrollen zijn weggelegd voor sex, sport en de ‘herverbouwingen’ van firma Biereco.

Pa en Ma, dochter Doortje, haar man Arie en haar zoontje Dozo, homopaar Kees en Tonnie, crimineel Ronnie, ringslang Sneek en (Maurice) de Hond wonen heel homogeen in de Labradorstraat 24 te Zulthoven. De doorzonwoning op dit adres heeft in de loop der jaren zoveel werkelijkheid vergaard dat we in deel achttien op vier bladzijden blauwdruk een reconstructie van het fameuze huis te zien krijgen, gebaseerd op de aanwijzingen die de stripalbums bieden: “Het toilet is zéér klein. Hoe doet de familie Doorzon de broek omlaag?”

Centraal in het leven van de Familie Doorzon staat de bank: geen sitcom zonder zitbank. Tijdens het WK is de bank volledig uitverkocht en moeten de vrouwen staan. Na afloop worden er therapiëen verstrekt tegen ‘postmondiale depressie’. Deel 22 draagt zelfs als titel ‘De bank’ en het meubel in kwestie staat op het omslag afgebeeld als stilleven, getooid met een vibrator, een scheermes-met-spiegel, een opengeslagen ‘Pleemat van de maand’, een lege pizzadoos en een slapende hond. Boven de bank hangt een fris en gezellig familieportret van de Doorzonnetjes. Hollands binnenhuisje anno nu.

Maar er bestaan nog meer ‘eigentijdse’ stripgezinnen. De Familie Fortuin van Peter de Wit bijvoorbeeld, verwant aan de Familie Flodder van Dick Maas (lachen om asocialen), met het belangrijke verschil dat de strip-pendanten zijn blijven wonen waar ze thuishoren: in de achterbuurt. Jan en Mien Fortuin zijn proletariërs en hebben tien kinderen, geen smaak en veel pech. Er wordt geboerd, gescholden, geslagen, belazerd en gekaterd. Brutti, sporchi e cattivi. Het is sociale slapstick die het moet hebben van schablonen en clichés: de Fortuintjes hadden ook in de sloppen van Napels kunnen wonen.

Sinds 1970 is er echter een strip die een zeer getrouw beeld geeft van de sores en mores van het typisch Nederlandse gezin: Jan, Jans en de kinderen. Getekend door Jan Kruis, wekelijks te vinden op de achterpagina van Libelle en nu ook postfris te koop. Van het eerste tot het meest recente album (het 25ste) sijpelen de maatschappelijke ontwikkelingen door tot in de wereld van de familie Tromp, die bestaat uit Jan, Jans, Karlijn, Catootje, de teckel en de je-weet-wel-kater, later aangevuld door opa en nakomer Gertje. Op de achterkant van het eerste album werd het ‘familie-epos’ bij het grote publiek alsvolgt geïntroduceerd: “Het is vooral de herkenning van een zij het meestal speels, meermalen ook zuiver baldadig stukje dagelijks gezinsleven, waaraan Jan, Jans en de kinderen hun populariteit te danken hebben.”

Dat baldadige stukje is gevuld met angst voor luchtvervuiling (deel 1),  gelijke rechten voor mannen en vrouwen (deel 4), de intrede van de afstandsbediening (deel 16), de zwangerschapstest (deel 23) en het gekwetste ego van de kater (alle delen). Alles mild en schertsenderwijs gebracht, uiteraard, want Libelle bedient een doelgroep die niet van radicalen houdt. Curieus is dat de tijdgeest door alle vijfentwintig delen een vernieuwend windje laat waaien, maar dat de gezinsleden niet of nauwelijks ouder worden. Dat heeft iets Dorian Gray-achtigs. In deel één had Jans al een flinke dochter en oogde ze als een - pakweg - vijfendertigjarige. In deel drieëntwintig, dus een kwart eeuw later, is ze feitelijk zestig en toch bevalt ze van een zoontje, nota bene zonder hulp van reageerbuizen.

Toch is de werkelijkheid weer eens vreemder dan de fictie. Jan Kruis heeft namelijk een dochter, die Andrea heet. Andrea tekent wekelijks een strip over twee vriendinnen en hun families, getiteld Vijftien en een half - Het plakboek van Fransje en Marie. De meisjes zullen studeren, trouwen, baren en scheiden, en eeuwig vijftien en een half blijven. Andrea’s stijl is duidelijk ontleend aan die van haar vader, al kadert ze de plaatjes anders in en ontbreekt het krasserige lijntje. Haar strip verschijnt in... Margriet, het zusje van Libelle. Zo is het familie-album van papier en inkt een strip-dynastie van vlees en bloed geworden.

Uitgeverij Big Balloon is in 1999 gestopt met het tijdschrift Striparazzi. Dit artikel is verschenen in de Volkskrant van 5 maart 1999.




Bestel Een indruk van echtheid door J. Pollmann online bij BOL

Verwijzingen

Regen Geen Bezwaar: nieuwe essaybundel van Joost Pollmann

Twee jaar na de bundel 'Een Indruk Van Echtheid' is er opnieuw een boek vol essays en artikelen over strips van Joost Pollmann verschenen. Kijk op www.freemusketeers.nl o ...
13 jan 08
Reacties (0)
cover_chris_ware.png
Onderwerpen
Extra

We stellen je mening op prijs. Deze wordt hier direct gepubliceerd.

Naam
E-mailadres
Mijn reactie