Media-educatie: voortschrijdende inzichten

Enkele jaren terug pleitte Rob van Kranenburg naar aanleiding van een debat in De Balie over media-educatie voor het opzetten van een Kinder-mediacentrum, en dat is 'een centrum waarin industrie, design en school een testbed creëren voor nieuw mediagebruik'. In onze oprukkende beeldcultuur moet het kind leren kijken en weten wat het ziet.
Hieronder vindt u drie aanzetten tot discussie over de noodzaak van media-educatie, plus een handige leeslijst:

Opvoeden en onderwijzen met media  

Op 2 oktober jl. werd het vijftigjarig bestaan van de televisie in Nederland gevierd. Anno 1951 bezaten slechts weinig mensen een televisie, maar inmiddels is het toestel niet meer uit de Nederlandse huiskamers weg te denken. Via de televisie hebben we belangrijke gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis live meegemaakt: de eerste mens op de maan, de val van de Berlijnse muur en recent de aanvallen op het Pentagon en het World Trade Center in de Verenigde Staten. De televisie opende letterlijk onze blik naar de wereld. De hedendaagse media omvatten echter veel meer dan de 'oude' televisie. Wat blijft is de vraag welke rol de nieuwe – en oude – media spelen in het leven van kinderen.  

In dit themanummer* van Vernieuwing onder andere:

Van Jeugdjoumaal tot Pokémon – Cees Koolstra onderzocht de effecten van oude en nieuwe media op jeugd en betrekt daarbij zowel de inhoud van de media als de manier waarop media worden gebruikt en de verschillende soorten gebruikers.
Goede jeugdtelevisie – Peter Nikken betoogt dat de recent ingevoerde Kijkwijzer opvoeders slechts een zeer beperkt hulpmiddel biedt omdat die slechts informeert over de mogelijk kwalijke aspecten van een mediaproduct. Peter Nikken onderzocht wat volgens ouders, kinderen en tv-critici goede televisie is.
Opinies over de effecten van televisie op jongeren – Hans Beentjes stelt dat grensoverschrijdende televisie niet verboden moet worden. Integendeel, juist die televisie draagt bij aan de discussie over, en daarmee het aan de oppervlakte brengen van normen en waarden.
Media-educatie in de schoolpraktijk – Ad van Dam over het media-educatieproject "It's not reality, but tv" waarmee leerlingen worden gevormd tot kundige mediamakers en beeldbeschouwers.
De hyperrealiteit van digitale media – Veel opvoeders vrezen dat hun kinderen het contact met de werkelijkheid verliezen doordat ze vele uren voor de tv of achter de computer doorbrengen.
Paul Ruis stelt vraagtekens bij het onderscheid tussen werkelijkheid en fictie in onze door – oude en nieuwe – media gedomineerde wereld

Verder in dit nummer:
Kijk wijzer? – Gea Meijers juicht de komst van de Kijkwijzer toe, al was het alleen maar omdat het de discussie over de relatie tussen media en jeugd op gang brengt.
Huiswerk en media – Uit onderzoek van Marina Pool blijkt dat het 'aan' hebben staan van radio of tv lang niet altijd slecht voor de schoolprestaties van leerlingen is.
Etniciteit op de Nederlandse televisie – Sonja de Leeuw constateert dat met name jongerenprogramma's op tv dynamische wijze de ontmoeting en confrontatie tussen individuen van verschillende culturen tonen.
Opgroeien zonder televisie – Een klein aantal van de Nederlandse huishoudens heeft geen televisie. Liesbeth Wildeboer sprak met de leden van twee gezinnen over de voor en nadelen van het opgroeien en opvoeden zonder beeldbuis.

*Het themanummer 'Vensters naar de wereld. Opvoeden en onderwijzen met media' kwam tot stand met financiële steun van Teleac/Not. 

http://tvgeweld.nl/tv02/opvoed1.html    


Onderwijs mediawijs?

Ook Reflexief, het tijdschrift van de Nederlandse Katholieke Schoolraad, heeft het thema ‘mediatisering en onderwijs’ verkend:

De media vervullen een belangrijke rol in onze samenleving. In woord, beeld, geschrift en geluid zijn zij alom aanwezig. Iedereen gebruikt en ondergaat de invloed van de media. Naast gezin, school en leeftijdgenoten zijn de media een invloedrijk opvoedingsmilieu geworden.
Hoe invloedrijk? Daarover zijn de meningen verdeeld. Een belangrijke vraag is of jongeren door de bomen het bos nog kunnen zien, weten zij hun weg te vinden in het enorme aanbod en kunnen zij beoordelen welke waarde de verschillende media hebben? Met andere woorden: zijn zij voldoende mediawijs?

De mediatisering van de samenleving lijkt ook een verschuiving met zich mee te brengen naar een beeldcultuur die zich kenmerkt door snelheid en vluchtigheid. Televisie, film, foto, reclame, video en computergames verbeelden op een eigen, vaak emotioneler wijze het ‘ware, het schone en het goede’. Met andere woorden: ook de beeldcultuur heeft een eigen rationaliteit, esthetiek en creativiteit. Met name voor jongeren is de beeldcultuur attractief.

De vraag is welke verantwoordelijkheid het onderwijs hier voor zichzelf ziet weggelegd. Het onderwijs sluit nog altijd sterk aan bij ‘geletterdheid’ in de klassieke betekenis, terwijl maatschappelijk ‘geletterdheid’ steeds minder afhankelijk is van letters en woorden alleen, maar sterker beïnvloed wordt door visuele vaardigheden. Heeft het onderwijs mogelijkheden om bij kinderen mediageletterd te ontwikkelen? Wat moet er op school gebeuren om het zo ver te brengen? Levert mediageletterdheid een bijdrage aan burgerschap, democratisch functioneren, consumentenweerbaarheid, waarde- en normbesef, interreligieuze dialoog, spiritualiteit? In een volgend nummer staat media-educatie in de schoolpraktijk centraal. De redactie

http://www.nksr.nl/        


Media-educatie knelpunten en mogelijkheden

In tegenstelling tot het Angelsaksische gebied, kennen we in Nederland geen traditie van nadenken over en werken met verschillende vormen van media op school. Ja, wel incidenteel natuurlijk en er zijn veel unieke projecten, maar er is geen beleid, geen didactiek, geen pedagogiek op het terrein van andere geletterdheden dan de tekstuele. En nu, nu springen we in een sprong naar ICT, naar de computer. Zit daar geen stap - stappen - tussen? Hoe gaan we om met leerlingen die  voor het eerst in onze westerse geschiedenis opgroeien in een multilineaire wereld zonder begin, midden en eind?  

In een mail aan de Amerikaanse discussielijst Media-L, de lijst voor media-educatie in het Engelstalige gebied stelt Art Silverblatt  over de 2000 ML conferentie: "If we are not careful, this weekend's conference could mark the beginning of the end of the media literacy movement in the U.S." 

Daar tegenover staat: 'Channel One Network is a learning community of 12,000 American middle, junior and high schools representing over 8 million students and 400,000 educators. The award-winning Channel One News is the flagship of the Channel One Network. Channel One News is a daily, televised, 10-minute newscast that is beamed via satellite during the school year to each of the 12,000 schools in the Channel One Network community'.  

Een partij zegt: we gaan werken met dit bedrijf dat ons faciliteiten en aandacht garandeert. Een andere groep van aanhangers van anti-commercie en 'parental guidance' standpunten is tegen.  

Deze strijd is achterhaald. We moeten - ik ga er nu maar even van uit dat we een Europese visie op media en onderwijs ontwikkelen - vertrekken vanuit zeer andere axioma's dan het 20e eeuwse centrum-periferie denken van macht en kritiek op macht, van grote bedrijven als Nike die zelf nu reclamecampagnes bedenken waarin Nike wordt overgeschilderd met een dik kruis.  

De vraag commercie-niet-commercie is op het gebied van media een niet relevante vraag. Alle media worden gegenereerd door het uitgangspunt dat er iets gegeven en iets verkocht wordt. En dan zitten we heel vaak verkeerd met ons idee over wat geven wordt en wat verkocht.  
Toen 8 a 9 jaar geleden de eerste GSM's werden geintroduceerd werd SMS als een soort van Mr. Bean cadoo'tje toegevoegd. Behalve die ene keer dat een arts op een conferentie in Japan naar zijn secretaresse wil sms'en omdat zijn hotel niet goed geboekt was, kon niemand zich voorstellen dat iemand met die kleine toetsen ook maar iets ging doen. SMS is inmiddels de killer application van de mobiele telefonie.

Er wordt altijd iets gegeven, altijd iets verkocht. Elke poging van te voren, van boven af te bepalen wat de meerwaarde, wat de toegevoegde waarde is, gaat uit van een misplaatst geloof in het kunnen voorspellen van media gebruik.  
McLuhan vertelt over hoe Amerikaanse GI's reageerden in WWII toen men ze hun kranten zonder advertenties gaf: ‘To save paper, all  the ads were cut out so that GIs got only the "hard" news. Complaints were rife.  GIs didn't want newspapers so that they could be depressed - they wanted the  "news" from "home" about all the products and lifestyle comforts they were missing  overseas - namely the ads and promos.’  

In zo'n achterhaalde en niet langer zinvolle centrum-periferie analyse staat kritisch omgaan met media centraal. Kritisch omgaan met media, kritisch luisteren en kijken is niet het uiteindelijke doel van media-educatie.  
Leren kijken, laten we daar maar eens mee beginnen. Kritisch omgaan met alle media (het potlood, de radio, de televisie, de pen, de computer, de camera) moet vanzelfsprekend centraal staan in elke schoolpraktijk. En we mogen dat niet verabsoluteren.  
Het is voor de gemiddelde informatiegbruiker onmogelijk om het waarheidsgehalte van reportages op televisie of ooggetuigenverslagen in de kranten te achterhalen. Zodra er in onze maatschappij iets mis gaat treedt een zeer uitgebreid en zeer divers apparaat - het gerecht-  in werking dat zelf al aangeeft dat het zeer moeilijk, zo niet onmogelijk is om de waarheid te achterhalen.  

In onze gecontroleerde informatieomgevingen op school mag in het idee 'kritisch leren omgaan' met dus niet centraal staan; het achterhalen van wat er echt  gebeurd is, omdat dat a) een defensieve houding tegenover informatie en data voorop stelt en b) ten onrechte laat uitschijnen dat je dat later in een authentieke omgeving - de wereld waarin we allemaal leven - ook zal kunnen.  

Dat kun je niet. Dat brengt me bij het grootste probleem in onze poging om een authentieke schoolsituatie te creëren in de hoop dat we daar data kunnen aanbieden die gekoppeld aan leerlingen tot informatie gevormd worden dat in een gezamenlijke context kan worden tot kennis.  

Het eerste dat we dan moeten doen is onderkennen dat de reden voor het bestaan van de school als instituut nu niet geformuleerd kan worden vanuit de behoefte of noodzaak voor een leerling, maar vanuit de economische en sociale behoeften van de ouders, die hun leven hebben gecentreerd rond de tijd dat kinderen en jongeren op school zijn.
Er is geen pedagogische theorie die de meerwaarde staaft in termen van leerprocessen van het samenzijn van een homogene groep, op één plaats, gedurende meer dan tien jaren, met een zeer beperkt aantal leraren en een zeer homogene opvatting over wat kennis is.  

In de scheiding daarom ook van formeel en informeel onderwijs die we daardoor kennen,  zien we dan ook dat er op het specifieke terrein van film, theater, en multimedia er produktiever buiten dan binnen de school gewerkt kan worden, omdat daar experts aanwezig zijn die het onderwijs nu niet kan leveren vanuit de lerarenopleidingen.  
Alles staat of valt met goede leraren, met experts. Wat is dan het kader waarin we kunnen gaan nadenken over media en medialiteit, over mobiele media, over schermen in de straat, over het door elkaar gaan lopen van 'realiteiten' in ons alledaagse leven, over het afnemende geheugen dat steeds meer in apparaten wordt opgeslagen.  
Er zijn er verschillende: De tendens van technologie te verdwijnen als technologie: is een potlood voor ons nog technologie? - gekoppeld aan de controle door/van de makers. Hoe simpeler de metaforen, hoe moeilijker de techniek (denk maar aan elektriciteit). Hoe kleiner de apparaten, hoe complexer de techniek. Moeten we designers gaan vragen optimaal zichtbaar te ontwerpen?  

De tendens naar de visualisering van argumenten in redeneringen, in discours. We hebben onze openbare ruimte gecentreerd rond openbare debatten waar zeer specifieke regels zijn voor wat als een argument telt. Wat gaat er gebeuren als er een generatie komt die deze eeuwenoude afspraken visueel gaat invullen?  
De tendens om een medium te verwarren met de filosofische plek die ze inneemt in haar vermogen om iets te zeggen over de realiteit gelijk te schakelen met haar vermogen om die realiteit onbemiddeld te kunnen reflecteren.  
De tendens die we zien naar de terugkeer van de auteur, - een waarlijke return of the repressed -, in auteursteksten op het web (weblogs, personages : Han Hoogerbrugge, Jochem Niemandsverdriet), - maakt duidelijk dat de meerwaarde van de digitale revolutie, interactiviteit - uit meer moet bestaan dan een simpelweg kunnen klikken op een muis, dat er kwaliteitscriteria in het spel zijn. Welke?  

Er moet een plek komen om deze vragen in termen van onderwijs te kunnen formuleren.

Op het niveau van theorievorming is er noodzaak aan:
a) Een Centrum voor Medialiteit, een centrum waarin media bestudeerd worden als bemiddelingsprocessen.
b) een MA Media-educatie en een aantal geïntegreerde modules in de Lerarenopleiding, die een BA AV/Media kan aanbieden.
c) Een Kinder-mediacentrum, een centrum waarin industrie, design, school, een testbed creëren voor nieuw mediagebruik.  

Op het niveau van schoolpraktijk is er noodzaak aan:
a) alleen part-time leraren, op alle niveau's (basis, secundair, hbo, universitair)
b) internationale samenwerking en cursussen met vnl. België
c) Een herdenking van het curriculum  vanaf de basisschool in vier categoriën: programmeren, geletterdheid, sport, europa.  

Rob van Kranenburg  

http://www.nettime.org/Lists-Archives/nettime-nl-0201/msg00007.html    

Meer weten? Een uitgebreide leeslijst over media-educatie vindt u op: http://www.mediaeducatie.nl/inhoud/informatie_klasmain.html
reflexief-1-2005-cover.gif

We stellen je mening op prijs. Deze wordt hier direct gepubliceerd.

Naam
E-mailadres
Mijn reactie