Over de 'verpakking' van het beeldverhaal

Van kauwgomstrip naar grafische roman naar webcomic

Op internet zijn letterlijk duizenden 'webcomics' te vinden: strips die alleen in digitale vorm bestaan. Dat is nieuw. Ook nieuw is de graphic novel, een strip die gepubliceerd wordt als paperback en ook nog literaire ambities heeft. Het klassieke album is op de terugtocht. Joost Pollmann zet hieronder de gedaanteverwisselingen van de strip op een rijtje.

 

Mijn allereerste Engelse les dank ik aan kauwgom: een sappige roze rechthoek met een gleuf overlangs die was verpakt in een vettig papiertje waarop een stripverhaal was gedrukt met Joe Bazooka in de hoofdrol. Spreek uit als: Joo Bazoeka, precies andersom dus! Weer wat geleerd. Tientallen jaren na deze candy lesson realiseer ik mij dat deze kauwgomstrip tevens mijn eerste kennismaking was met wat ik gaandeweg de nanostrip ben gaan noemen, een beeldverhaal op extreem klein formaat. Small press is een bekend begrip in de stripwereld en heeft betrekking op het uitgeven van boekjes in een kleine, meestal niet-commerciële oplage. Maar je kunt er zo onderhand ook een subgenre in de strip-productie mee aanduiden, want alleen al mijn eigen collectie – ad hoc bij elkaar gesprokkeld - telt vele tientallen exemplaren, die samen moeiteloos in een attachékoffer passen.

 

Het extreemste werkje is ‘Dossier Millennium Bug’ van Martin Lodewijk en haalde het Guinness Book of World Records omdat het met 2,5 cm breedte en 3,7 cm hoogte officieel het kleinste stripboekje ter wereld heet te zijn. Er wordt een loepje bijgeleverd, zodat je op de minuscule paginaatjes kunt zien hoe Olga Lawina in de weer is met een borstvergroter: een vergroting in een verkleining, dat is een mooie vondst.

Guust Flater, Olivier Blunder, Lucky Luke, Blake & Mortimer, Robbedoes & Kwabbernoot, De Smurfen, De Blauwbloezen: dat zijn klassieke strips uit de Waalse hoek. La BD francobelge, die halverwege de vorige eeuw de dienst uitmaakte in de internationale stripwereld. Het formaat van deze boeken was gestandaardiseerd en bedroeg grofweg 30 bij 20 centimeter, met een dikte van zo’n 64 bladzijden. (Suskes & Wiskes zijn iets kleiner, en trouwens Vlaams.) Een verzamelaar die heel veel albums had vergaard was toch nog weinig kastruimte kwijt, want vijf magere millimeters per stripverhaal is natuurlijk niks vergeleken met de vijfentwintig millimeter dikte van de gemiddelde roman. Maar de tijd van hoog en dun is voorbij, en sinds de jaren tachtig verschijnen stripboeken in de meest bizarre formaten: de oplages zijn gedaald, de pretenties zijn gestegen, en dat zie je aan de verpakking. Diversificatie is het etiket dat je op dit verschijnsel mag plakken en dat niet beperkt blijft tot het stripwereldje, maar in elke branche opduikt. Ik heb het kleinste boekje al beschreven, maar het grootste mag er ook zijn: een gezeefdrukt exemplaar van het Franse ‘Drozophile’ dat 42 bij 30 cm meet; het is dus bijna een halve meter hoog en past niet in een gewone boekenkast.

 

Tussen die Gulliver-achtige uitersten in zit een heel nieuw genre stripboek dat door het leven gaat als graphic novel of grafische roman. Dit is de wat vage aanduiding van een genre waarin veel boeken verschijnen die helemaal niet romanesk zijn, maar laten we dat een kinderziekte noemen. Een theoretisch bruikbare term zou ‘beeldboek’ zijn maar deze is helaas ingepikt door knutselende knipselaars, en met ‘strips voor volwassenen’ wordt iets morsigs bedoeld. Niettemin zou het prettig zijn als er een adequate benaming zou komen, want de begripsverwarring is groot. In Amerika gaan ze bijvoorbeeld zo ver dat ze elk stripboek een grafische roman noemen dat eruit ziet als een paperback, met als gevolg dat de idiootste pulpstrip een artistiek aureool krijgt alléén doordat het is uitgegeven als iets dat volgens volstrekt willekeurige criteria verwantschap vertoont met – ik noem een dwarsstraat – de tweeëntwintigste herdruk van ‘Light in August’.

 

Maar de keuze voor een andere ‘verpakking’ is op zich niet vreemd. Er verschijnen steeds vaker strips over serieuze onderwerpen (politieke moord, epilepsie, Deleuze, zelfdoding, echtelijke problemen, God, illegale emigratie) en die verandering vraagt om een andere vorm. Waarom? Omdat het vooroordeel jegens het beeldverhaal hardnekkig is en niet zal verdwijnen zolang je een journalistieke strip over de oorlog in Bosnië verpakt als een ‘Asterix’. Zo bezien is het legitiem dat uitgevers een andere vorm kiezen om graphic novels aan de man te brengen. Men moet de Pavlov-reactie van de lezer namelijk niet onderschatten. Een tijd lang placht ik op de maandagavond naar de bioscoop te gaan voor de sneak preview: kijken naar een film die niet van tevoren is aangekondigd. Meerdere malen heb ik meegemaakt dat het (jonge) publiek al na drie minuten de zaal verliet zodra bleek dat het om een Franse of Iraanse of Russische film ging. ‘t Mot wel Hollywood wezen, want populair houdt niet van elitair. Die reflex bestaat ook in omgekeerde richting, want elitair verafschuwt populair en wie alleen maar Faulkner leest en niet wéét dat Sacco geen snaterende humorstrips tekent, laat zijn briljante getekende reportages links liggen.

 

Wie het over strips heeft, heeft het niet over een marginaal verschijnsel. Een paar cijfers: in Japan worden 240 miljoen manga-titels per jaar verkocht, in 2004 werd in de Verenigde Staten voor 352 miljoen dollar aan comics omgezet, Hans Matla bezit 60.000 stripboeken en in Frankrijk verschijnen jaarlijks 3600 striptitels. Behalve kwaliteit is er dus ook kwantiteit. Diamond U.S. distribueerde in september 2007 ongeveer 320.000 ‘graphic novels’ en dan hebben we het alleen over de 100 best verkochte titels en alleen over titels die in de Verenigde Staten verkocht zijn. Er is dus nog veel meer. Twee jaar geleden noteerde Diamond een stijging van 89% in het segment van de ‘graphic novels’, reden waarom elke Amerikaanse uitgever op de Frankfurter Buchmesse verscheen met op z’n minst één getekend boek. Overigens: ik heb de grafische romans hierboven tussen aanhalingstekens gezet, omdat het maar voor een heel klein gedeelte om ‘non-superhero’-boeken gaat. En anti-helden, die vind je juist in strips met literaire prententies.

 

We hebben het hier de hele tijd over een papieren kunstvorm, terwijl de digitale werkelijkheid allang een ander fenomeen tevoorschijn heeft getoverd: de webcomic. Hier zie je de plaatjes niet naast elkaar maar na elkaar, wat voor de leesgewoonte van beslissende invloed is. Vroeger gaf het gootje tussen de plaatjes een tijdverloop aan, heel kort of heel lang, dat was om het even. Het oog van de lezer zocht zijn weg langs de kaders, die min of meer logisch op de bladzijde waren gerangschikt. Op een beeldscherm moet je echter klikken om van het een tot het ander te komen, en de wachttijd vult zich met gedachten over de wereld & je leven, die voortdurend interfereren met het digitale stripverhaal, zoals je vroeger in de trage films van Visconti en vandaag in die van Sokourov steeds jezelf weer tegenkomt. Weinig escapistisch. Toch mag dat de pret niet drukken, want de belangstelling voor het nieuwe verschijnsel is kolossaal. In 1999 schreef ik voor het Vlaamse blad Stripgids een artikel over de Nederlandse stipgeschiedenis waarvan de laatste regel luidde: ”En verder is het wachten op de eerste digitale strip…” Daaruit bleek dat ik naïef en slecht geïnformeerd was, want ook toen bestonden er al gepixelde beeldverhalen. Hoeveel het er vandaag de dag zijn is moeilijk te zeggen,  getuige de volgende post op talkaboutcomics.com: “In a recent comment thread here at TAC, Chris Crosby said that Comic Genesis hosts 8.000 webcomics, and that DrunkDuck hosts 4.000 (I’m not sure where he got that latter number, but I believe him). On its homepage, SmackJeeves claims 4.000. I also believe them. WCN has about 2.000 comics at this moment. So that’s 18.000 webcomics just on four free webcomics hosting services.” Waarna een forumdiscussie volgt die suggereert dat er wereldwijd nog véél meer digitale strips te vinden zijn.

 

Betekent dit het einde van: in een hoekje met een boekje? Beslist niet, alleen hebben papieren boeken voortaan een andere ontstaansgeschiedenis. Enkele jaren geleden nam het Brusselse tekenaarscollectief ‘L’employé du Moi’ een eenvoudig initiatief : via de eigen website werden tekenaars wereldwijd uitgenodigd een strip te maken over een reis van A naar B en die reis mocht ook in je eigen hoofd gemaakt zijn. De respons was, zoals dat heet, overweldigend. Er kwam niet alleen veel werk binnen, maar ook heel goed werk en daarom werd besloten de beste inzendingen te ontpixelen en gebundeld te laten verschijnen onder de titel ‘40075km’, met artistieke medewerking van Alex, Amori, Ando André, Anne Bacheley, Bapton, Anne Beauchard, Benjamin, Bert, Jean Bourguignon, Matt Broersma, Bubi Au Yeung, Bulu, Cäät, Carl, Chihoi, Laurent Dandoy, Sophie Darcq, DaviD, Sarah Debove, Claude Desmedt, Did et Delphine, Fafé, Frédéric Fleury, Albert Foolmoon, G#ROM, Garène, Loïc Gaume, Sacha Goerg, Benoît Guillaume, Helga, Gabriel Hernandez, Hero, Cole Johnson, Juhyun, Kerozen, Harry Lagoussis, Jonathan Larabie, Capucine Latrasse, Lénon, David Libens, Alice Lorenzi, Rémi Lucas, Sébastien Lumineau, Manuel, Pascal Matthey, Pierre Maurel, Modrimane, Sylvain Moizie, Morgan Navarro, Jonvon Nias, Nicolas F., Stéphane Noël, Nylso, Otto T., Stéphanie Paulus, P.E.E.P.S., Aurélie Pertusot, Petica, Vincent Pianina, Capitaine Picard, Emmanuelle Pidoux, Christophe Poot, Max De Radiguès, Gilles Rochier, Charles Saucisse, David Scrima, Greg Shaw, Shigeru, Pascal Tessier, Tita, Tofépi en Zolachoco verspreid over 592 pagina’s. Als dat geen boek is!

king-of-webcomics.jpg
Onderwerpen
Extra

We stellen je mening op prijs. Deze wordt hier direct gepubliceerd.

Naam
E-mailadres
Mijn reactie