Repliek op een domme, kwaadwillende recensie

De clownsneus van Anker

Deze maand lanceerde Uitgeverij Podium het tijdschrift 'Eisner', dat driemaal per jaar gewijd zal zijn aan het literaire beeldverhaal,met bijdragen uit binnen- en buitenland. In NRC Handelsblad schreef de dichter Robert Anker een zeer slecht geïnformeerd stuk over de literaire mogelijkheden van de strip, waarop Joost Pollmann onderstaande reactie schreef.

Hij kent Kuifje, Peanuts, Pep, Maus en Will Eisner. Op basis van deze enorme stripbelezenheid meent Robert Anker (NRC Handelsblad, 19 november) een definitief oordeel te kunnen vellen over een complete kunstvorm. Anker was gevraagd een recensie te schrijven over het tijdschrift ‘Eisner’, dat gevuld is met literaire beeldverhalen, maar gebruikt zijn kolommen om dingen te beweren over het beeldverhaal als zodanig, dingen die even pretentieus als onwaar zijn. Om simpel te beginnen: hij merkt op dat het stripverhaal een tekening is. Welnu, een strip bestaat uit een rééks tekeningen (als het er maar één is noem je het een cartoon), reden waarom Will Eisner de term ‘sequential art’ heeft geïntroduceerd, ook al om van het gehate woord ‘comic’ af te komen. Anker zegt dat een strip altijd ‘licht’ is en in Amerika niet voor niets ‘comic’ wordt genoemd, maar de door hem bewonderde Art Spiegelman van ‘Maus’ heeft al in de jaren tachtig geprobeerd van dit stigma af te komen en voorgesteld voortaan te spreken over ‘comix’, dat wil zeggen: de strip als mengsel van tekst en beeld.

Anker schrijft dat de populaire kunsten vanaf de jaren vijftig en zestig serieuzer werden genomen, “alsof het kunst was”, en dat de strip in die beweging ook meehobbelde. Maar de stripkunst beleefde zijn eerste bloeitijd al aan het begin van de vorige eeuw en werd daarom door Gilbert Seldes in zijn essaybundel ‘The seven lively arts’ uit 1924 (!) tot de kansrijkste nieuwe muzen gerekend. Anker vergelijkt strips met films en begaat hier de flater te beweren dat films per se hyperrealistisch zijn, alsof scenaristen, acteurs, cameramensen, regisseurs, editors en visagisten niet een uiterste poging doen om een eigen, onware werkelijkheid te scheppen. Hij wil zeggen dat strips hiervan het tegenovergestelde zijn, namelijk hyper-verzonnen, wat ten eerste niet waar is en ten tweede een erg smalle opvatting van realisme verraadt. Sinds de autobiografie zijn intrede in de stripkunst heeft gedaan, wordt er extreem realistisch getekend en geschreven. Geen detail blijft de lezer bespaard. Barbara Stok en Gerrie Hondius zijn daar in eigen land goede voorbeelden van, maar er is met gemak een boekenkast te vullen met getekende bekentenisliteratuur uit de buitenlanden.

 

“Het stripverhaal moet ook geen beeldende kunst willen zijn. Stelt u zich voor dat de figuren op een tekening van Rembrandt van een tekstballonnetje zijn voorzien – de kunstuitdrukking zou daardoor op slag onteigend zijn.” Als Anker zijn clownsneus even afzet zou hij misschien ontvankelijk zijn voor de herinnering aan de Dadaïsten die een eeuw terug een snor op de Mona Lisa tekenden, waardoor de ‘kunstuitdrukking’ alleen maar toenam. Wat Rembrandt met het hedendaagse beeldverhaal van doen heeft, is onduidelijk; blijkbaar is dit het summum van kunst in de beleving van Anker. En tekstballonnetjes zijn voor hem het summum van strip, ook al zijn er legio albums waar geen ballon in te vinden is. Literaire uitgeverij Querido brengt deze maand een ‘graphic novel’ uit van Shaun Tang getiteld ‘De aankomst’, waarin geen onvertogen woord valt.

 

Het belangrijkste bezwaar van Ankers geborneerde kijk op strips is zijn kijk op tekst. Een tekst bestaat voor hem uit letters, en anders is het beeld: niet te vergelijken. Maar “tekenen is een vorm van schrijven”, om Cocteau te citeren, en het letterlijke is van het figuurlijke nooit te scheiden. Om een tekst te begrijpen heb je verbeelding nodig, om een beeld te begrijpen heb je een vertaling nodig. Kwesties van formulering. Anker schrijft dat strips niet literair moeten willen zijn, want “het primaat ligt bij het beeld”. Van beeldlezen heeft hij duidelijk nooit gehoord: hij is zo weinig visueel ingesteld dat hij in alle ernst en naïveteit denkt dat een beeld (een tekening) rechtstreeks, zonder analyse en interpretatie, naar je hersenen wordt geseind. Als je blind bent voor alle informatie die een beeld bevat, kun je die schijn van rechtstreeksheid misschien een tijdje ophouden, maar wie het beeld al lezende deconstrueert, om het modieus te zeggen, merkt dat er bar weinig verschil is tussen het verantwoord consumeren van een lettertekst of van een beeldtekst. Een strip verdient net zoveel close-reading als een gedicht.

 

Laatste kritiek op Ankers kritiek: “De verhalen an sich zijn waarschijnlijk te simpel.” Om literair te kunnen zijn, bedoelt hij. Pijnlijke opmerking, als je de verhalen in kwestie nooit gelezen hebt. Ga eens naar de boekwinkel en koop iets van Chris Ware, Rutu Modan of Guido van Driel: niks simpels aan.

 

NRCAnkerVsEisner.jpg
Onderwerpen
Extra

We stellen je mening op prijs. Deze wordt hier direct gepubliceerd.

Naam
E-mailadres
Mijn reactie