In de inleiding van het hoofdstuk over strips en onderwijs in het Stripleksikon schreef Peter van Trigt: “Een nauwkeuriger aanduiding van deze rubriek zou moeten luiden: het gebruik van strips in het voortgezet onderwijs door Nederlands en de vreemde talen. Zo’n inperking maakt duidelijk dat het gebruik van strips in het kleuter- en basisonderwijs en in zaakvakken zoals geschiedenis, kunstgeschiedenis en aardrijkskunde buiten deze bespreking valt. Een tweede inperking betreft het feit dat in dit artikel met strips geen ‘educational comics’ worden bedoeld, die in de Verenigde Staten in groten getale op de markt zijn gebracht en speciaal voor het onderwijs worden gemaakt. In Nederland en de omringende landen zijn ze echter een nagenoeg onbekend verschijnsel.”
Benaderingswijzen
Hoe verdienstelijk het vroege artikel in het Stripleksikon ook is, uit bovenstaande alinea blijkt wel hoeveel er sinds 1979 is veranderd. Wie de moeite neemt om kennis te nemen van de veelzijdigheid aan onderwijs-gerelateerde artikelen op deze website, zal moeten concluderen dat het beeldverhaal voor alle facetten van het onderwijs iets kan betekenen. Ook zijn er de afgelopen jaren veel onderwijsstrips gemaakt, denk bijvoorbeeld aan de geschiedkundige serie ‘ Van nul tot nu’.
Interessant aan het stuk van Van Trigt is vooral de indeling in ‘benaderingswijzen’. Hij onderscheidt:
- de literair-historische benadering (van hieroglyfen naar pop-art)
- de structuur-analytische benadering (over tekst, beeld en andere formele elementen)
- de ideologisch-kritische benadering (marxistische of kapitalistische beïnvloeding van de inhoud)
- de sociologische benadering (welke lezer leest welk genre)
- de semiologische benadering (over beeldgrammatica en visuele codes)
Advanced organizer
Over het nut van strips-in-de-klas is hij overigens skeptisch: “Duidelijk zal zijn geworden dat de concurrentiepositie van strips in het onderwijs t.o.v. andere audi-visuele hulpmiddelen zwak is. Ze zijn ook niet geschreven en bedoeld als bijdrage tot het verwerven van kennis en inzicht in schoolwijsheden.” Maar ook die constatering is gedateerd, want vandaag de dag verschijnen wereldwijd strips met een grote maatschappelijke relevantie, die zeer goed als educatief instrument gebruikt kunnen worden. Van Trigt noemt desalniettemin negen gebruiksmogelijkheden, waaronder die van ‘advanced organizer’ (als nieuwsgierig makende aanzet tot nieuwe lesttof), van geheugensteun (visuele context vergemakkelijkt het onthouden van woorden) en van gids in de volkenkunde (al geeft hij toe dat de vele karikaturen een politiek-correcte etnografie nogal in de weg zitten). Van Trigt besluit met een uitgebreide bibliografie, die vrijwel geheel uit Duitse titels bestaat. Misschien vanwege de populariteit van het onderzoek naar ‘Trivialliteratur’ in die dagen?
Stripschap
De bundel artikelen die in 1983 door Het Stripschap werd uitgegeven ter gelegenheid van de conventie ‘Strips en onderwijs’ opent met een stuk uit het NRC van Eveline van Dyck. Zij schrijft: “Stripverhalen laat men op lagere scholen oogluikend toe. Er hangt een zweem van taboe, van slecht zijn en decadentie omheen, want ‘strips maken de kinderen leeslui’.” Van Dyck verzet zich tegen dergelijke cliches en vervolgt: “In de lessen gaat het erom dat leerlingen kritisch leren kijken naar de plaatjes, verband leggen tussen tekst en beeld, de juiste volgorde van een verknipt verhaal leren aangeven. De strip is niet alleen erg geschikt voor het aanleren van vaardigheden als detailwaarneming, lezen en interpreteren, maar ook een uitstekend middel om het groepsoverleg te stimuleren.”
Gecultiveerde tegenzin
Andere artikelen in de bundel (samengesteld door Hans Duncker) gaan over strips en literatuur en over de voors en tegens van die koppeling. H.T. Tromp somberde bijvoorbeeld: “Door aan te sluiten bij de duidelijke voorkeur van de leerling voor het beeld en door als het ware zijn afkeer tegen lange, dichtbedrukte bladzijden niet zonder meer af te keuren, kan de ingewortelde en gecultiveerde tegenzin tegen (sic!) het lezen van boeken misschien iets worden afgezwakt.”
Beeldcultuur
Kuifje-kenner Har Brok brak een lans voor het lesgeven met behulp van, precies, Kuifje-verhalen en Cees Tahey van de NLO Gelderse Leergangen droeg een stuk bij over strips en ‘de moedertaalles’. Concluderend schrijft hij: “Natuurlijk, wat ik hier aan gebruiksmogelijkheden voor strips in het moedertaalonderwijs bij elkaar heb gezet, kan met wat wijzigingen ook gelden voor alle andere communicatieve uitingen waarin een koppeling van verschillende tekensystemen heeft plaatsgevonden: voor reclameboodschappen, voor tv-uitzendingen en voor geïllustreerde weekbladen, om maar wat te noemen.” Het begrip ‘beeldcultuur’ bestond duidelijk nog niet.
Macht der gewoonte
Is er sinds het begin van de jaren tachtig veel veranderd? Wel in de stripwereld, minder in de onderwijswereld. In nummer 7 van het tijdschrift ‘Leesgoed’ jaargang 2003 schreef Stefaan Froyman een artikel getiteld ‘Strips, de macht der gewoonte doorbreken en de diversiteit vergroten’. In de intro staat: “Wie de jaarlijkse selecties beste jeugdliteratuur van ‘La revue des livres pour enfants’ kent, weet dat daarin de ‘bandes dessinées’ ofwel strips als vanzelfsprekend worden opgenomen als subgenre. In het Nederlandse taalgebied is dat niet zo, is het zelfs not done om strips als jeugdliteratuur te beschouwen. Kinderen doen dat echter wel. Tijd om daar eens aandacht aan te besteden.”
Dat gaan we ook zeker doen!
Bronnen
- De bronnen zijn van papier, in dit geval. Maar op www.lambiek.net , de digitale voortzetting van het Stripleksikon der Lage Landen, vindt u o.a. een database met ruim 4.000 biografieën van striptekenaars.